Stel cookie voorkeur in

Een Jenaplanschool


Omstreeks 1960 kregen de ideeën van Peter Petersen (grondlegger van het Jenaplanonderwijs) over opvoeding en onderwijs bekendheid in Nederland. In die tijd werden ook de eerste Jenaplanscholen in ons land opgericht. Nadat de Roncallischool aanvankelijk als klassikale school startte, werd na enige jaren gekozen voor het Jenaplan-model. De school heeft zo de ontwikkeling van het Jenaplanonderwijs in Nederland van dichtbij kunnen meemaken.
 
De naam Jenaplan komt van de voormalige Oostduitse universiteitsstad Jena. Daar deed professor Peter Petersen van 1923 tot 1950 onderzoek op het gebied van opvoeding en onderwijs.In zijn eigen universiteitsschool kwam hij tot de overtuiging dat het onderwijs zich bezig zou moeten houden met de totale vorming van het kind.

In zijn visie zou het onderwijs niet alleen een kwestie moeten zijn van het vergaren van kennis maar veeleer een sociaal-emotionele, maatschappelijke, creatieve en verstandelijke vorming. 
Het onderwijs moet zijn aandacht gelijkwaardig verdelen over al deze facetten. Onderwijs heeft zo gedacht alles te maken met opvoeding. Daartoe moet onderwijs plaatsvinden in een viertal opvoedkundige situaties: gesprek, spel, werk en viering. 
Deze situaties zijn voor het kind bekend uit het leven van alledag en in deze situaties moet dan ook de vorming van het kind op school plaatsvinden.
 
Ook concludeerde hij dat de maatschappij en het leven niet zo zijn ingericht dat kinderen in de schoolse situatie in een jaargroep met enkel leeftijdgenoten samengebracht zouden moeten worden. Het gezin is zo niet samengesteld en de maatschappij al helemaal niet.
 
Petersen richtte zijn school zo in dat kinderen konden spelen, werken, praten en vieren in een gevarieerd groepsleven parallel aan de maatschappij. Zo zou de vorming van het kind tot het grootste rendement komen.
 
Als uitgangspunt koos hij voor alle kinderen een vaste stamgroep, ‘een thuishaven’ voor alle kinderen. 
In de stamgroepen moet de vorming van “het kindzijn” gestalte krijgen. 
Petersen onderscheidde 4 soorten stamgroepen: 
• onderbouw (groep 0, 1 en 2), 
• middenbouw (groep 3, 4 en 5), 
• bovenbouw (groep 6, 7 en 8).

Op onze school hebben we gekozen voor een tweejarige indeling. Daardoor kennen wij 4 soorten stamgroepen:
• kleuterbouw (groep 0, 1 en 2), 
• onderbouw (groep 3 en 4), 
• middenbouw (groep 5 en 6), 
• bovenbouw (groep 7 en 8). 
 
Behalve vanwege de maatschappijgetrouwe afspiegeling koos hij voor deze opbouw per stamgroep i. v. m. het vormingsprincipe cq. cyclusopbouw jongste - middelste - oudste: 
• Het kind komt in een nieuwe situatie waarin het nieuwe sociale, cognitieve en creatieve waarden leert. (jongste)
• Het kind bekwaamt zich verder in de genoemde situatie. (middelste)
• Het kind heeft een grote mate van zelfstandigheid gekregen en is al in staat bepaalde vaardigheden aan anderen cq. jongeren uit de stamgroep door te geven. (oudste)
De stamgroep zal steeds bestaan uit een aantal tafelgroepen waarin bovenstaande 3 categorieën vertegenwoordigd zullen zijn. Ook in tweejarige stamgroepen kenne we de verdeling jongste-middelste-oudste!
 
In deze 2 jaarlijkse cyclus heeft het kind steeds te maken met 1 of 2 vaste stamgroepleerkrachten. Het zal duidelijk zijn dat de pedagogische situatie per jaar maar deels verandert en daarom voor het kind zeer vertrouwd zal zijn. 
Anderzijds zal de leerkracht de kinderen in de loop der jaren steeds beter leren kennen en beter kunnen inspelen op de behoeften van het kind in de verschillende vormingsgebieden (in veel situaties zal zo de leerkracht extra zorg binnen de groep kunnen realiseren).
 
Naast het groepsleven binnen de stamgroep kennen we nog een aantal groepssamenstellingen: 
• De niveaugroep: een groep kinderen dat op eenzelfde niveau functioneert. 
• De keuzegroep: een groep kinderen met een gelijkgerichte belangstelling (keuzecursus)
• Units: bouwdoorbrekend: uit elke bouw een stamgroepen, zij vormen samen een unit. 
• De schoolgroep: de schoolgemeenschap als totale groep (gemeenschappelijke vieringen en weekopeningen).
 
Gedacht vanuit de sociale waarden van het groepsleven, heeft Petersen de school altijd gezien als een gemeenschap. 
Een gemeenschap waarin de vorming van het kind plaatsvindt. Ieder die hieraan deelneemt (kinderen-leerkrachten-ouders-andere betrokkenen) doet dat met de grootst mogelijke betrokkenheid vanuit een stuk verantwoordelijkheid voor de opvoeding van onze kinderen. 
Met name de actieve rol van de ouders binnen de Roncallischool maakt de school tot een leefgemeenschap zoals Petersen het bedoeld heeft.
 
Ouders geven een aantal typerende kenmerken van het Jenaplanonderwijs, die wij hier van harte onderstrepen: 
• Het sociale aspect;
• De kindgerichte benadering;
• De totale persoonlijkheidsvorming;
• Het werken op eigen niveau;
• Het uitgangspunt ‘onderwijs is opvoeden’;
• Een gezellige sfeer. 


Jenaplankinderen zijn wereldkinderen!